In het boek Verzwegen verhalen uit de bezetting brengt Heemkring Molenheide op basis van uitgebreid archiefonderzoek een minder bekend deel van de lokale oorlogsgeschiedenis aan het licht. Het boek laat zien hoe mensen uit Gilze en Rijen laveerden tussen aanpassen, overleven, verzet plegen en soms samenwerken met de bezetter. Zo ontstaat een indringend en genuanceerd beeld van een gemeenschap waarin de grens tussen ‘goed’ en ‘fout’ vaak minder scherp bleek dan direct na de bezetting werd gedacht. Op woensdag 22 april krijgt burgemeester Derk Alssema het boek over collaboratie en verzet in Gilze en Rijen aangeboden in het gebouw van Heemkring Molenheide in de Nieuwstraat in Gilze.

Toen de oorlog op 10 mei 1940 uitbrak, startte de vijand vrijwel direct met het ombouwen van de aanwezige vliegterreinen op de Molenheide tot één van de grootste Duitse militaire vliegvelden van Europa: Fliegerhorst Gilze-Rijen. Tegelijkertijd werd de plaatselijke nijverheid in dienst gesteld van de Duitse oorlogseconomie, die grote behoefte had aan onder meer schoenen en leer. Voor de door de crisis getroffen boeren, middenstanders en fabrikanten én de onder werkloosheid gebukt gaande arbeiders, ontstonden vrij plotseling financiële mogelijkheden die vóór de oorlog nog ondenkbaar waren geweest. Een voedingsbodem voor collaboratie zou je denken. En dat was ook zo, maar daar werd later niet over gesproken.

Aanleg van het smalspoor van Prinsenbosch naar Fliegerhorst Gilze-Rijen in 1942 (beeldarchief Heemkring Molenheide).

Aanleg van het smalspoor van Prinsenbosch naar Fliegerhorst Gilze-Rijen in 1942 (beeldarchief Heemkring Molenheide).

‘Zwijgen is goud’

Dat er over collaboratie werd gezwegen is niet verwonderlijk. Het speelde zich af in de schaduw van de oorlog. Ook de bewijsvoering was lastig, want er waren twee getuigen nodig die tegen verdachte personen wilden verklaren. Die waren niet te vinden omdat volgens de waarnemend burgemeester destijds ‘verdachte en getuige hetzij door zakenrelaties, hetzij anderszins verplichtingen aan elkaar hebben.’ De inwoners van Gilze en Rijen moesten verder met hun leven en hadden elkaar daarbij hard nodig; de blik stond op de toekomst waarin veel op te bouwen was. Zo bleven vele verdachten buiten veroordeling. Dat gaf na de oorlog niet alleen ‘scheve gezichten’, maar ook een vertekend beeld, want er was in onze gemeente zeker iets aan de hand.

Profiteurs

De gemeente werd door de aanwezigheid van een vliegveld en de leerindustrie het decor van twee landelijke affaires die na de oorlog uitgebreid zijn beschreven, ook in bijvoorbeeld het standaardwerk ‘Het Koninkrijk der Nederlanden’ van Loe de Jong: de betrokkenheid van Nederlandse transport- en bouwbedrijven bij de ontwikkeling van (militaire) vliegvelden en de Blau Aktion, het grootschalig opkopen van grote voorraden metalen en leer door de Duitsers op de zwarte markt.

Al snel na de bezetting sleepten grote bouwbedrijven orders binnen voor de bouw van Fliegerhorst Gilze-Rijen en kwamen leerfabrikanten in Rijen in de verleiding hun dalende productie zwart te verkopen aan de Duitsers. Zo hebben profiteurs uit Gilze en Rijen met plaatselijk opgezette transportondernemingen en via de ‘Rijense leeraffaire’, op grote schaal geldelijk gewin gehaald uit respectievelijk dienstverlening op het vliegveld en zwarte handel in leer met de vijand. Ze droegen daarmee direct bij aan zowel de Duitse oorlogseconomie als de vijandelijke militaire activiteiten van de bezetter.

Leerfabriek Noord-Brabant in de Julianastraat in Rijen voor de Tweede Wereldoorlog (beeldarchief Heemkring Molenheide).

Leerfabriek Noord-Brabant in de Julianastraat in Rijen voor de Tweede Wereldoorlog (beeldarchief Heemkring Molenheide).

Verzwegen verzet

Zo zwijgzaam als men in de dorpen was over collaboratie, zo terughoudend was men ook ten aanzien van de illegaliteit; mensen liepen er niet mee te koop. Toen in 1980 landelijk het Verzetsherdenkingskruis werd ingesteld, werd dit voor maar twee inwoners van Rijen aangevraagd.

Ook was de scheidslijn tussen collaboratie en verzet niet altijd scherp te trekken. In zekere zin is dat inherent aan verzet, en met name aan spionage en het verzamelen van inlichtingen. Er waren dan ook diverse personen die tijdens de oorlog met en voor de bezetter hadden gewerkt en tegelijkertijd beweerden inlichtingen te hebben verzameld voor het verzet. Zij voerden dit bij hun berechting als verzachtende omstandigheid aan. Geregeld leidde dat ertoe dat zij minder zwaar of in het geheel niet werden gestraft.

Naoorlogse rechtspleging

Terugkijkend zijn er in de naoorlogse rechtspleging onder druk van de tijdsgeest en de grote hoeveelheid te behandelen zaken, soms onbegrijpelijke beslissingen genomen. Relatief kleine vergrijpen zoals zwarte kleinhandel, een baantje voor de Duitsers uit zelfbehoud of een verhouding van een meisje met een Duitse soldaat, zijn bestraft. De omvangrijke zwarte handel met de Duitsers, die de geschiedenis is ingegaan als ‘Rijense leeraffaire’, is echter vrijwel geheel buiten schot gebleven.

Van het uitgebreide politieonderzoek dat nodig was om sluitende bewijzen te krijgen of het om opzettelijke hulpverlening aan de vijand ging, is het na de oorlog nooit gekomen. De wederopbouw eiste alle aandacht op en er was weinig belangstelling voor het aanpakken van economische collaboratie. Vanuit deze houding werd het verleden vergeten en het economisch herstel ter hand genomen. Duidelijk is in ieder geval wel dat de geleverde diensten aan het vliegveld en het op de zwarte markt aanbieden van leer aan de Duitsers, de betrokkenen geen windeieren hebben gelegd.

Boek verkrijgbaar

Verzwegen verhalen uit de bezetting is geschreven door Kees van der Heijden, John M. Stienen en Bert Wagemakers. Het boek telt 184 bladzijden en bevat veel afbeeldingen. Het boek is vanaf 22 april voor 17,50 euro verkrijgbaar bij Bruna in Rijen en bij Thuis bij Hapers in Gilze. Op tentoonstellingszondagen is het te koop bij de Heemkring zelf, Nieuwstraat 22 in Gilze. Het is ook te bestellen via de webshop op: https://www.heemkringmolenheide.nl/webshop/