Carnaval ligt inmiddels weer achter ons. In Wringersgat zijn de tonnen van het podium verdwenen, de confetti is opgeveegd en het gewone ritme heeft het dorp weer in zijn greep. Maar voor één bekende Rijenaar betekent het meer dan het einde van een feestweek. Na dertig jaar in de sauwelton stopt Hans Mallens, beter bekend als D’n ouwe Hannes, met tonpraten bij de Rijense Carnaval Stichting. In 2020 vertelde hij in dit weekblad nog dat hij het per jaar zou bekijken en geen plannen had om te stoppen. Zes jaar later is dat moment toch gekomen. Helemaal stoppen doet hij niet. Want wie hem hoort praten, merkt al snel dat sauwelen voor Hans nooit alleen ’tonpraten’ is geweest.
Door Fabienne Lantinga
Op tafel ligt een dikke rode map. Transparante hoezen, vol foto’s van dertig jaar sauwelgeschiedenis. Kostuums, tonnen, avonden vol licht en lachende zalen. Voorin zit een briefje, met daarop een uitleg hoe het ooit begon. Zijn allereerste sauwelnaam: ‘Ikke’.
Zo kwaam ik aon diejen naom.
Want onze pa vroeg nog aan ons moeder:
“Witte gij nog ’n naam voor den deze?”
“Ikke” zee ons moeder
“Ikke nie” zee onze pa
“Nou Ikke dan” zee ons moeder, en zo is het gebleven
Tijdens de sauwel werd er gevraagd wie die naam nou toch verzint. ”Ikke”, had het typetje gezegd. En met die grap ontstond er een passie. Het begon klein. Speels. Zonder groot plan. Een keertje meelopen, met de grote sauwelaars in Rijen: Joske van Laarhoven en Ad Stads. Hans weet het nog goed. ”Mensen stonden in die tijd gewoon in de rij om kaartjes te halen.” Ze vroegen Hans of hij ’niet eens zou willen sauwelen’. ’Ach, dat kan ik niet.’ ’Jawel dat kan jij wel’. Hans liep vervolgens eerst een jaar mee. ”Dus dat heb ik gedaan, met heel veel plezier.” Nu, dertig jaar later en verschillende sauwelkarakters verder, sluit hij een groot hoofdstuk van zijn leven af.
D’n ouwe Hannes
“Vroeger was het een typetje”, zegt hij. “Nu is het gewoon waar.” D’n ouwe Hannes was jarenlang zijn creatie tijdens de sauwelavonden van de Rijense Carnaval Stichting (RCS). De oudere dorpsman met observaties en relativeringen. Maar inmiddels is Hans zelf tachtig geworden. Een prachtige leeftijd, maar ook een leeftijd waarop drie intensieve sauwelavonden achter elkaar hun tol beginnen te eisen. Niet het optreden zelf, benadrukt hij, maar alles eromheen. De hele dag aanwezig zijn, wachten, midden in de nacht thuiskomen, spanning, prijsuitreikingen. “Ik merkte dat het fysiek zwaarder werd”, vertelt hij. “Dan kun je beter zelf het moment kiezen om te stoppen, in goede gezondheid en wanneer het nog leuk is voor de mensen. En het jaar hiervoor had ik gewonnen, dus toen kon ik niet weg. Dan moet je je titel verdedigen. Dus het kwam precies mooi uit zo, met die twee ijkpunten.”
Hans had een speech voorbereid, om het publiek te bedanken na al die jaren. Die bewaarde hij voor het laatste moment en niet in zijn sauwel, omdat hij niet wilde dat het afscheid invloed zou hebben op de uitslag van het sauwelen. De reacties waren warm, emotioneel en vol waardering. Een staande ovatie bleef niet uit. “Dat was geweldig”, glundert hij. ”Dat was écht hartstikke leuk.”
Want daar draait het volgens Hans om. Het publiek meenemen. Samen iets laten ontstaan.
Nooit iemand belachelijk maken
Wie Hans hoort praten over zijn jaren in de ton, merkt dat er één grens was die hij nooit overschreed. Geen grap ten koste van iemand in de zaal. Geen makkelijke lach die iemand klein maakt. “Als iemand in de zaal zit, die komt voor zijn plezier”, zegt hij. “Dan hoef je daar niet de draak mee te steken.”
Zijn kracht zit hem meer in timing, in taal, in het nét anders neerzetten van een woord. Soms zet hij de zaal even op scherp, speelt hij met dubbelzinnigheid of verwachting. Maar altijd haalt hij zelf de spanning er weer uit. “Dan ontkracht ik het weer”, zegt hij. “Dan wordt het alleen maar leuker.”
Zijn sauwels zitten vol herkenning. Het dorpsleven, alledaagse situaties, menselijke trekjes die iedereen bij zichzelf of een ander herkent.
Verantwoordelijkheid nemen
Natuurlijk ging het ook wel eens mis. Dat hoort erbij als je dertig jaar op een podium staat. Er was een jaar waarin een act niet werkte zoals hij had gehoopt. De tekst was goed, daar twijfelt hij nog steeds niet aan. Maar het kwam niet over. Drie avonden probeerde hij het. Drie keer voelde hij dat het niet stroomde zoals hij gewend was.
“Als het publiek niet lacht, is dat mijn schuld”, zegt hij. Die houding typeert hem misschien nog wel het meest. Hij wees niet naar het publiek. Hij zei niet dat ze het niet begrepen. Hij keek naar zichzelf. Wat had hij anders moeten doen? Waar zat de beperking? Hij realiseerde zich dat hij zichzelf te veel had vastgezet. Te weinig ruimte, te weinig vrijheid om te spelen. “Je moet bij jezelf blijven”, zegt hij. “Je moet niet iets doen wat je eigenlijk niet bent.” Hij bleef niet hangen in dat ene jaar. Gewoon leren en doorgaan. “Nieuwe ronde, nieuwe kans”, zegt hij. “Maar wel op mijn manier.” Het is die combinatie van zelfreflectie en vertrouwen die hem jarenlang overeind hield in de ton. En vrouw en dochter, die altijd achter hem hebben gestaan. ”Anders had dat niet gekund.”
Uit het hart
Carnaval begint voor Hans niet bij het sauwelen, maar al eerder, in de kerk. “Hier begint het op vrijdag”, zegt hij. “Met de mis.” Eerst samenkomen. Eerst bezinning. Daarna pas de uitbundigheid. Tijdens die carnavalsmis verzorgt hij al jaren een moment voor een lokaal goed doel. Er is overleg met de pastor, afstemming over de dienst. Want het is en blijft de kerk. “Hij doet zijn preek”, zegt Hans. “En dan doe ik die van mij.” Zijn bijdrage duurt drie of vier minuten. Kort en krachtig. Hij kiest zelf het doel. Altijd kleinschalig. Iets in het dorp. Iets waar mensen gezichten bij hebben. De Weggeefhoek, Automaatje, Vita. Het mag dan een serieus doel zijn, maar het ophalen van donaties gaat altijd met een grap en een lach.
De collectanten lopen rond na zijn preek, het geld komt in een mandje dat hij elk jaar met zorg voorbereidt. Attributen, zoals autootjes bij het ophalen voor Automaatje, symboliseren het doel. Later wordt het geld geteld. Zijn vrouw maakt er daarna een mooie zak van met een strik eromheen, zodat het zichtbaar kan worden overhandigd. De opbrengst groeit. Maar het gaat hem niet om het getal. “Dat ze het überhaupt doen, dat vind ik al bijzonder.”
Daar blijf je jong van
Hans is nog lang niet klaar. Hij stopt dan wel bij de RCS, maar wie hem hoort praten, weet dat hij nog niet uit uitgesauweld is. Hij blijft betrokken. Blijft zich inzetten voor het dorp. Af en toe een sauwel, waar hij wordt gevraagd. “Daar blijf je jong van”, zegt hij.
Op tafel ligt de rode map nog open. Dertig jaar herinneringen, netjes opgeborgen in plastic hoezen. Hij bladert er nog eens doorheen. ”Hij is nog niet compleet, maar dat komt nog.”
