Ruim tachtig jaar na het einde van de Tweede Wereldoorlog is Jan Stienen (1911–1955) uit Rijen postuum onderscheiden voor zijn vrijwillige inzet tijdens de laatste fase van de oorlog. Minister van Defensie Ruben Brekelmans kende hem het Mobilisatie-Oorlogskruis toe, terwijl het Militaire Huis van Z.M. de Koning hem het Herinneringsinsigne Binnenlandse Strijdkrachten 1944–1945 verleende.

De uitreiking vond plaats op 20 november 2025 op het Militair Ereveld Grebbeberg, door luitenant-kolonel Sander Donker, commandant van het 45 Pantserinfanteriebataljon Regiment Infanterie Oranje Gelderland.

Een dorp in vlammen

De laatste oorlogsmaanden in Rijen in het najaar van 1944 kenden een gewelddadig verloop. Toen de Duitse troepen zich begin september begonnen terug te trekken, richtten zij een ravage aan in het dorp. Diverse fabrieken, scholen en andere gebouwen aan de Laagstraat, Tuinstraat, Kerkstraat (tegenwoordig Hoofdstraat) en het Burgemeester Sweensplein werden verwoest. Ook de marechausseekazerne aan de Rijksweg viel aan de vlammen ten prooi. Hoewel de schade enorm was, bleven dodelijke slachtoffers uit. In de weken daarna heerste er veel onzekerheid, ook omdat de geallieerde opmars bij de grens tot stilstand kwam.

Inzet voor orde en veiligheid

De dag na de verwoestingen trad Jan Stienen, werkzaam bij de Ericsson Telefoonmaatschappij, toe tot de vrijwillige bewakingsdienst die door het bedrijf ingesteld werd. Na de bevrijding van Rijen, twee maanden later, meldde hij zich op 4 november 1944 aan bij de Bewakingstroepen van de Binnenlandse Strijdkrachten (BS) die onder bevel stonden van Prins Bernhard.

De BS werden op 5 september 1944 opgericht bij Koninklijk Besluit in Londen. Hierin werden de gewapende verzetsorganisaties in Nederland gecombineerd. Overal in het land werden bewakingstroepen gevormd die na het vertrek van de Duitse bezetter de taak hadden om de rust te bewaren en de orde te handhaven. Tegelijk met dit ‘niet-strijdende’ gedeelte werd in het bevrijde gebied ook een ‘strijdend’ gedeelte opgericht: de stoottroepen.

In de eerste weken na de bevrijding hield Stienen wacht bij toegangswegen en bewaakte strategische punten in en rond Rijen, met name het vliegveld. Vanwege de nabijheid van de grens kwam smokkel voor en probeerden collaborateurs illegaal het land te verlaten. Na de bevrijding van Nederland tekende de Rijenaar bij als oorlogsvrijwilliger bij de Gezagstroepen. Vermoedelijk werd hij ingezet bij ordehandhaving en de bewaking van interneringskampen voor van collaboratie verdachte Nederlanders. Op 26 maart 1946 zwaaide hij af als soldaat en keerde hij terug naar Ericsson.

Grebbeberg

Jan Stienen was, hoewel hij zijn dienstplicht vervuld had, in 1939 niet gemobiliseerd. Het Zweedse telefoniebedrijf Ericsson was van vitaal belang voor de Nederlandse economie, waardoor de medewerkers van mobilisatie vrijgesteld waren.

Toen vanaf eind oktober 1944 ook in Gilze en Rijen de lokale afdelingen van de BS geformeerd werden uit het verzet, werd ter aanvulling vooral gezocht onder de leden van de Luchtbeschermingsdienst en binnen de kleine groep reservisten, zoals Stienen, die nog aanwezig waren in de dorpen. Zijn ervaring bij de vrijwillige bewakingsdienst van Ericsson kwam goed van pas.

Het Regiment Infanterie Oranje Gelderland, dat de uitreiking verzorgde, is de voortzetting van het voormalige Amersfoortse 5e Regiment Infanterie (RI) – waarbij Stienen werd geplaatst – en het voormalige Arnhemse 8e RI. Dit laatstgenoemde regiment werd vermaard door de verdediging in de meidagen 1940 van de Grebbeberg. De plechtigheid had daarom op de Grebbeberg plaats. Tijdens de ceremonie werden de namen van de gedecoreerden van beide regimenten met trots en dankbaarheid genoemd, in aanwezigheid van familieleden en militairen.

Onderzoek

Kleinzoon John Stienen, zelf oud-Rijenaar, doet al een aantal jaar voor Heemkring Molenheide onderzoek naar de Tweede Wereldoorlog in Gilze en Rijen. In 2020 schreef hij een artikel over de bevrijding van Rijen. Nu werkt hij mee aan een publicatie over collaboratie en verzet. Deze publicatie verschijnt in het voorjaar van 2026.

Hij vindt de erkenning van zijn opa belangrijk: “De Tweede Wereldoorlog is een ijkpunt in de geschiedenis van Nederland. Maar achter die bepalende gebeurtenis gaan persoonlijke verhalen schuil. Het is mooi dat in het jaar dat we herdenken dat we 80 jaar in vrijheid leven alsnog de postume erkenning volgt voor deze individuele bijdrage. Zeker nu de oorlog in Oekraïne, die woedt aan de grenzen van de EU en de NAVO, in Den Haag hoog op de politieke agenda staat.”