Hoog keek ik tegen hem op. En met mij vele anderen. Bovenmeester Jos van Gool, de baas van de vele meesters en enkele juffen die de Heilig Hartschool in de zestiger jaren bemensten. Af en toe zag je hem in een gang of op het schoolplein, de koer genaamd. Hij was de vriendelijke man die Sinterklaas op school mocht ontvangen en af en toe kwam hij een tijdje achter in de klas zitten. Het leek wel of iedereen dan net wat beter zijn best ging doen.

Zijn handtekening was bekender want die kwam ieder kwartaal weer terug in mijn rapportboekje, naast die van mijn vader, die nogal eens varieerde. Niet die van het hoofd der school, die er altijd hetzelfde uitzag. Een teken van standvastigheid. Later kwam ik erachter dat het een stempeltje was. Een illusie armer.

Een enkele keer heb ik les van hem gehad, wanneer de vaste onderwijzer uitviel, al leken die nooit ziek te zijn. Maar ja, zelf werd ik ook altijd naar school gestuurd. Thermometers bestonden nog niet en het heerste nooit.

Wie wel heerste, was de bovenmeester. Ook mijn ouders hadden ontzag voor hem. Mijn vader vertelde wel eens over de vorige directeur, ‘Pietje Kusters’ die daarvoor een harde schoolbel en dito hand nodig had. Meester van Gool was uit ander hout gesneden. Zachtaardig en met een vriendelijke lach op zijn gezicht. Een prachtige welluidende stem waarmee hij mooi kon vertellen. Dat deed hij ook meestal wanneer hij bij ons inviel. Je werd er gewoon rustig van.

Ik had veel moeite met stilzitten en vergeet nooit dat ik een behoorlijke overstroming in mijn schoolbank kreeg, door het volle inktpotje waar ik steeds tegenaan zat te tikken totdat de hele inhoud over schoolspullen, ladebodem en kleding ging. Blinde paniek, maar hij bleef kalm en vriendelijk en vond het niet eens erg. Terwijl hij toch ook verantwoordelijk was voor de financiën. En dat was af en toe armoe troef, zo vertelde hij me later. Halfweg het jaar was het geld al op. Ondanks zijn zuinigheid, volgens juf Mientje van Geel die ik hierover ooit sprak. ‘In het begin van het jaar kreeg ik een potlood voor iedere leerling en daar moest je het hele jaar mee doen.’

Het was duidelijk dat er toen nog geen Action was. Wel de acties van Jos van Gool. Eerst naar de gemeente, toen naar de provincie en uiteindelijk naar den Haag. Met een ontoereikende begroting en een duidelijke vraag. Hij kwam terug met een positief antwoord en misschien was dit wel de basis voor zijn latere politieke loopbaan.

Ondanks het feit dat hij de leerlingen zeker niet iedere dag zag, wist hij van alles over ons. Hij kende onze namen, de eigenaardigheden en prestaties en het nest waaruit we voortkwamen. En dat is zo gebleven, zijn hele leven. Ik kwam hem af en toe tegen bij verenigingen, evenementen, in de buurt en in Sint Franciscus. Ik bleef altijd de oud-leerling voor wie hij oprechte interesse tonen en hij bleef mijn ‘bovenmister’. De bovenste beste.

Jos bedankt. Binnenkort zal ik je foto wel tegenkomen op de urnenwand, naast je vrouw, in de buurt van mijn ouders en schuin achter onze oude school. Adieu.

Ton de Bruyn